Kampvuur verhalen

Door Brent Ruytjens

111 keer bekeken

Inkleding

Laat enkele monitoren zich tijdens het verhaal verkleden en acties uit het verhaal nadoen. Laat ze opvoorhand het verhaal eens lezen zodat ze een beetje voorbereid zijn.

Uitleg

De vlieg en de vlo

Op een dag kwam de vlo de vlieg tegen. Het was lang geleden dat zij elkaar voor het laatst hadden gezien en ze begroetten elkaar hartelijk. De vlo merkte op dat de vlieg rood doorlopen oogjes had en zij vroeg naar de reden.

"Ik zal het je vertellen," legde de vlieg uit. "Stel je dit eens voor: ik ben samen met een man. Ik steek de man, dat is zo mijn natuur, hij slaat mij, dat is zijn natuur. En dan heb ik toch een plezier! Ik lach en lach zó hard dat daardoor mijn ogen bijna uit mijn hoofd gerold zijn!"

En beiden sloegen zich op de knieën van het lachen. "Maar jij dan," sprak eindelijk de vlieg, "jij hebt helemaal geen nek meer! Wat is er met je gebeurd?"

"Wat mij betreft," legde de vlo uit, "je weet wel dat ik erg kouwelijk ben. Nou vind ik het lekkerste plekje van de mens daar waar het het warmst is. Ik laat me dus tussen de huid en de kleding glijden, maar daar is het erg nauw. Zo nauw dat ik duw, en ik heb zó hard geduwd dat daardoor mijn hele nek naar binnen geschoten is."

De rusteloze wind- Een sprookje over een vermoeide winterwind

Vroeger was hij een frisse lentewind geweest. Een lekker briesje waar iedereen van genoot, vooral op warme dagen. Dat was in zijn jonge jaren, toen de mensen nog blij met hem waren geweest. In die tijd was hij een welkome gast en mocht hij overal zonder kloppen binnenvallen. Ramen en deuren gingen in de zomer altijd wagenwijd voor hem open. Bomen kregen kippenvel, wanneer de wind kriebelend langs hun takken gleed. Bladeren ritselden zachtjes, het was gewoon muziek. Rivieren kabbelden vrolijk en beekjes kraaiden van plezier, wanneer de wind hun buikjes streelde. En als hij moe was geworden van alle blazen en een middagdutje wilde doen, dan gingen de bloemen in het veld voor hem opzij. Iedereen leefde van de wind.

Maar nu was alles anders geworden. De velden, bomen en mensen, ze moesten hem niet meer. Deuren en ramen bleven gesloten, luiken gingen dicht als hij langskwam. In de loop der tijd was hij een oude, rimpelige winterwind geworden, niet meer zo fris en opgewekt als vroeger. Bovendien was hij in de winter van zijn leven nogal neerslachtig geworden. Zijn stemming kon zomaar ineens omslaan. Dan verscheen er plots een donkere wolk op zijn voorhoofd, kon je de bui al zien hangen. En als hij zijn dag niet had, dan kon hij in die boze bui vreselijk te keer gaan. Razen en tieren, woeden en jagen, het ging maar door. Dan mepte hij tegen de takken van de bomen en sloeg hij met zijn winderige vuisten op de daken. Dan vulde hij de velden met sneeuw en de wegen met snijdende kou. Door de schoorstenen van alle huizen klonk zijn akelige gehuil en met dat gedonderjaag joeg hij alle mensen de stuipen op het lijf.

Op een zekere avond in de winter was de wind moe geworden. Hij was dagen achter elkaar flink tekeer gegaan, maar nu was hij uitgeraasd. Buiten adem van alle blazen - niet al te best voor een wind - zocht hij naar een plek om uit te rusten. Terwijl de winterwind langs donkergrijze wolken vloog, zag hij onder zich een besneeuwd veldje liggen. Hij dook naar beneden en wilde zich al uitstrekken om te gaan slapen, toen hij ineens een ijzige stem hoorde. 'Wie ben jij dat je denkt in mijn schone bed te kunnen slapen?', riep de boze stem. Het was de stem van het veld onder hem. 'Ik!', zei de wind. 'Wie zegt er: ik?' zei de stem weer. 'Ik ben een oude, vermoeide winterwind die een plekje zoekt om uit te rusten.' 'Hoe haal je het in je hoofd!? Straks besmeur je mijn mooie witte lakens nog. Zoek maar een ander bed, vuile windbuil die je bent!' 'Goed, ik ga al!' Daarna sjokte de wind naar een sneeuwvlakte verderop, maar ook deze riep meteen: 'Maak dat je wegkomt, ouwe smeerlap!' Op geen enkel veldje was hij welkom. Dat ging de wind niet in zijn koude kleren zitten. Hij voelde zich opgejaagd als een zwerfhond zonder schuilplaats.

De wind slaakte een zucht van verlichting toen hij aan de horizon een oude boom zag staan: een stoere, oude eik die wel tegen een stootje kan. Bij de wortels van de eikeboom legde hij zich neer. 'Hèhè, eindelijk rust', dacht de wind. Maar die rust bleek van korte duur. 'Wie ligt daar op mijn voeten?', sprak een eikenhouten stem streng. 'Ik', antwoordde de wind. 'Wie zegt er: ik?', sprak de boom weer. 'Een oude, rusteloze wind die graag even wil slapen.' 'Ben jij het soms geweest die de afgelopen dagen als een razende tekeer is gegaan? Sneeuwstormen en hagelbuien, je leek er maar geen genoeg van te krijgen! Ik mag dan een stoere eik zijn, maar mijn armen en benen doen nog steeds pijn van al jouw windstoten. Dus slapen op mijn zere voeten is er niet bij, ik kan je niet langer verdragen!' 'Goed dan', zei de wind bozig. 'Maar waar moet ik dan naartoe?' 'Zie je die rots daar in de verte?', antwoordde de oude eik. 'Die rots is oersterk en bestand tegen elke storm of hagelbui. Probeer het daar maar eens.' De wind strompelde naar de lage rots en viel daar doodmoe neer. Maar de rots was daar niet van gediend. 'Wie ligt daar op mijn rug?', zei een keiharde, steenachtige stem. 'Ik', antwoordde de oude wind. 'Wie zegt er: ik?', ging de rots verder. 'Een vermoeide winterwind die graag even op adem wil komen.' 'Geen sprake van!', reageerde de rots die een hekel had aan alles wat kan bewegen. Steeds maar rotsvast en onbewegelijk moeten zijn, altijd en eeuwig hetzelfde uitzicht voor je neus hebben, dat is natuurlijk geen pretje. Een wind heeft het geluk dat hij kan gaan en staan waar hij wil, maar een rots is en blijft onwrikbaar. 'Je mag eerst wel eens om toestemming vragen als je ergens wilt gaan liggen', zei de rots bits. 'Zomaar ongevraagd op iemands nek of rug springen, dat kan echt niet! Dus oprotten, ouwe zwerver!' 'Goed, ik ga al. Maar waar moet ik naartoe?' 'Probeer het eens verderop bij die herberg. Daar weten ze wat gastvrijheid is, als je ze tenminste betaalt.'

De wind was tot nu toe te moe geweest om er te protesteren. Maar nu begon hij er schoon genoeg van te krijgen dat hij overal werd weggejaagd. Niet lang daarna kwam de uitgeputte reiziger aan bij de herberg. Toen hij de deur opende, waaiden alle kaarsen meteen uit. De oude zwerfwind stak zijn hoofd om de hoek van de deur en riep: 'Volluuuk! Hier is volk!' Toen antwoordde de herbergier: 'Hemeltjelief, wie heeft die deur open gegooid? Het tocht hier verschrikkelijk, wat een gore wind!' Nu was de wind inderdaad een onguur type, maar zoveel onhartelijkheid had hij nooit eerder meegemaakt. De waard van de herberg smeet de deur pal voor zijn neus dicht. De wind kookte en brieste van woede.

Zijn moeheid was op slag verdwenen, zo kwaad was hij. Eerst begon de wind te huilen, als een klein kind dat zijn zin niet krijgt. Te janken als een oude hond die met stokslagen van het erf verjaagd wordt. Daarna begon hij onstuimig te woeden en te tieren. Grote, grijze wolken trokken samen aan de hemel. Sneeuw en hagel jaagden voort over het land als een kudde wolven die op jacht is. De wind ging als een storm te keer door elk bos, door ieder dorp. Bomen wankelden, huizen sidderden, alles en iedereen kreeg de wind van voren. Binnen kropen kinderen dicht tegen hun moeders aan. De wind bleef zonder ophouden blazen en de mensen hielden hun adem in. Want de wind was werkelijk razend.

In een van de huisjes die de volle laag kreeg, zat een moeder naast het bed van haar zieke zoon. Door de schoorsteen hoorden ze het huilen van de wind. Door het raam zagen ze de donkergrijze sneeuwwolken en de wankelende bomen. Binnenshuis piepte en kraakte alles. Door de kieren van het huisje voelden ze een ijskoude luchtstroom binnendringen. 'Mama, ik ben bang van de wind', zei de jongen. 'Kunt u hem niet wegjagen?' De moeder liep naar het venster, opende het raam en schreeuwde: 'Maak dat je wegkomt, smerige wind!' Dat liet de wind niet over zijn kant gaan en hij zwiepte een grote sneeuwwolk in het gezicht de vrouw. 'Dus jij bent er zo eentje', zei de vrouw, terwijl ze de sneeuw van haar gezicht en kleren veegde. 'Raas dan maar door tot je erbij neervalt', riep de vrouw met een gebalde vuist tegen de wind. Het kind luisterde eens goed naar het huilen van de wind en hoorde daarin niet alleen boosheid, maar ook pijn en vermoeidheid. 'Misschien heeft de wind wel zo'n boze bui, omdat niemand hem rust gunt. Misschien is hij wel net zo ziek en moe als ik. Misschien heeft hij nergens een plek om bij te komen en wordt hij voortdurend opgejaagd.' De jongen had zonder het te weten een waar woord gesproken. Hij klom zijn bedje uit en liep naar de kachel, met de dekens om zijn schouders geslagen. Door het gat van de schoorsteen riep hij naar boven: 'Windje, kun je me horen? Wees alsjeblieft niet meer boos op ons. Als je moe en uitgeput bent, ga dan naar de schuur achter ons huis. Daar staat nog een oud bed dat van grootvader is geweest. Het is voor jou, gebruik het zolang als je wilt.' Kort daarna ging de wind eindelijk liggen.

De wind hield een lange, diepe winterslaap. Toen na maanden rust de lente weer aanbrak, voelde de wind zich zo fris als een waterhoentje. Hij voelde zich zo jong en sterk als vroeger. Hij rekte zich uit en geeuwde. Er ging een frisse wind over de velden. Zijn adem deed de bloemetjes schommelen en de boomblaadjes ritselen. Overal blies hij de mensen een zachte koelte in het gezicht. Alleen in een zeker dorpje deed de wind nog wat anders. Daar floot hij vrolijk op zijn vingers en danste hij om de schoorsteen van een klein, oud huisje.

De vijfhonderd geldstukken die er niet waren- Een Mongools volksverhaal over het eerlijk verdelen van geld

Er liepen eens twee mannen samen op straat. Ze praatten gemoedelijk met elkaar en plotseling zei de een tegen de ander: "Zeg, als we nu eens midden op straat vijfhonderd geldstukken zagen liggen, hoe zouden we die dan verdelen?" Daarop ontspon zich het volgende gesprek:

"Zou het niet eerlijk zijn als we allebei tweehonderdvijftig geldstukken kregen? Wat denk je?" - "Wat? Zou je dat zo willen verdelen? Ik heb het geld het eerst gezien, dus het spreekt toch vanzelf dat ik dan driehonderd geldstukken krijg!" - "Daar ben ik het niet mee eens! Niet jij hebt het geld gevonden, ik heb het het eerst zien liggen!"

En zo kregen ze ruzie en raakten ze zelfs slaags. In het vuur van de strijd botsten ze tegen een dschanggi op die toevallig hun kant uit kwam.

"Hé, waarom vechten jullie?" vroeg de dschanggi. Daarop antwoordde de een: "We hebben het over vijfhonderd gevonden geldstukken en nu zegt die kerel daar dat hem driehonderd geldstukken toekomen en dat ik me daarbij moet neerleggen."

Toen de ander meteen riep dat hij het geld het eerst had zien liggen en dat het toch heel normaal was dat hij er dan driehonderd van zou krijgen, zei de dschanggi: "Deze kwestie kan ik wel voor jullie oplossen. Jullie zijn met z'n tweeën en daarom krijgen jullie elk tweehonderd geldstukken. De overige honderd moeten jullie aan mij, de dschanggi, geven!"

Deze woorden wekten de woede van de ruziemakers op. "Hé, inhalige dschanggi, we hebben het over geld dat we nog helemaal niet hebben gevonden!" Daarop werd het gezicht van de dschanggi rood van schaamte en wist hij werkelijk niet wat hij moest zeggen.

Taakverdeling

  • Verteller
  • Uitbeelders

Inclusie

Actieve deelnemer laten meedoen

Materiaal

Verkleedgerief eventueel


Nieuwe reactie

Je kan dit niet meer bewerken later.